No text

HML

Nederlands

Klik hier onder op een onderwerp

<
Klik hier onder op wat je wilt weten en ga er naaar toe!
Apple app gebruikers let op! Je word naar safari gestuurd.
Terug

Help Mij Leeren

Home

Leestekengebruik (interpunctie)

Dit zijn de leestekens: apostrof, komma, punt, puntkomma, dubbele punt, aanhalingstekens, koppelteken, haakje.

Bron: jagerneyndorff.nl samen met digischool

Apostrof

Volgens de Leidraad: géén apostrof bij tweedenaamvals-s in woorden die eindigen op een medeklinker of een stomme e (nu ook bij buitenlandse namen!): Annettes vraag, Aimés antwoord (analoog aan cafés), Argentiniës economie, Kinseys onderzoek.

Gebruik eveneens geen apostrof bij woorden die eindigen op -e, -é, -ee, -eau, -eu, -oe, -ie en klinker plus y. Dit geldt voor zowel meervoudsvormen als genitieven: cafés, lawines, toffees, bureaus, milieus, kangoeroes, jockeys, Renés trui, Annies huis, Tjibbes jas.

Gebruik een apostrof bij afleidingen van letterwoorden of zelfstandig gebruikte letters én bij woorden die eindigen op een medeklinker plus de letter y: AOW’er, IBM’er, ING’er, twee a’s teveel, B.V.’s, VVV’s, B.V.’tje, KVV’ertje, baby’tje.

Omwille van de duidelijkheid kan het verstandig zijn bij bijvoeglijk gebruik (genitief) van buitenlandse (bedrijfs)namen wél een apostrof te gebruiken: Joyce’s Ulysses, Céline’s navrante stijl, Petrochem’s raffinaderij. Pas dit binnen dezelfde tekst wel consequent toe. Dus niet: Shakespeares gedichten en Goethe’s proza.

Komma

Komma [ , ]

Er bestaan twee soorten komma’s (Schrijfwijzer): de grammaticale komma en de leeskomma. De eerste wordt gebruikt om de structuur van de zin te verduidelijken, de tweede om (bij hardop lezen) een leespauze aan te geven. De volgende zinnen uit Schrijfwijzer maken het verschil duidelijk tussen een grammaticale en een leeskomma.

1. Deze folder is bedoeld voor leerplichtige, allochtone meisjes.
2. Sociale indicaties, vooral mogelijke financiële problemen, zullen, aldus de voorzitter, aanleiding geven om af te wijken van het voorgestelde benoemingsbeleid.

De komma in zin 1 is grammaticaal noodzakelijk om duidelijk te maken dat het gaat om meisjes die zowel allochtoon als leerplichtig zijn (twee gelijkwaardige adjectieven). Weglaten van de komma zou tot gevolg hebben dat in deze zin alle allochtone meisjes ook leerplichtig zijn. In zin 2 zijn de komma voor en na aldus de voorzitter grammaticaal niet nodig, maar we horen bij hardop lezen wel een korte rust.

Waneer een komma?

Wanneer een komma?

1. Tussen twee hoofdzinnen zonder voegwoord. (Bij lange zinnen die zelf ook een komma bevatten, is een puntkomma beter.)


2. Alleen tussen hoofdzinnen met nevenschikkend voegwoord (en, maar, want) als de zinnen lang zijn of als de eerste hoofdzin eindigt met een bijstelling. De schoolmeestersregel die zegt dat er voor en nooit een komma mag staan, is onjuist (Schrijfwijzer). Uit het volgende voorbeeld mag blijken waarom: Te koop: een jonge koe, geeft per dag veertien liter melk en een goed vaarskalf.


3. Een hoofdzin binnen een andere hoofdzin staat tussen komma’s. Gedachtestreepjes zijn ook mogelijk.


4. Aan het einde van een bijvoeglijke bijzin.


5. Aan het begin van een uitbreidende bijvoeglijke bijzin.


6. Aan het begin van een beperkende bijvoeglijke bijzin die gescheiden is van het woord waar het bij hoort. Ik heb overal gezocht naar het onderdeel voor deze radio, dat nu al jaren kapot is.


7. Alleen aan het begin van een bijzin als die bijzin erg lang is.

8 .Tussen een bijzin en een hoofdzin.


9. Tussen twee persoonsvormen, tenzij de zin heel kort is.


10. Een bijzin in een bijzin staat tussen komma’s.


11. Een beknopte bijzin staat tussen komma’s.


12. Alleen tussen een beknopte bijzin en een hoofdzin als de bijzin erg lang is of als het werkwoord uit de bijzin naast de persoonsvorm van de hoofdzin komt te staan.


13. Een ondergeschikt zinsdeel staat tussen komma’s. Kunt u, zo mogelijk nog vandaag, uw oordeel geven?


14. Tussen de delen van een opsomming, behalve tussen het voorlaatste en laatste deel (daar komt en te staan). Als de delen van een opsomming lang zijn of zelf weer komma’s bevatten, is een puntkomma verstandiger.


15. Tussen gelijkwaardige bijvoeglijke naamwoorden. Voor het laatste bijvoeglijk naamwoord mag ook en staan in plaats van een komma.


16. Zinsdelen die als nevengeschikt kunnen worden opgevat, komen tussen komma’s te staan. De conferentie in Genève was net op gang gekomen toen op een ander niveau, in een ander land, een tweede toenaderingspoging werd ondernomen.


17. Een bijstelling staat tussen komma’s.


18. Een tussenwerpsel staat tussen komma’s.


19. Een aangesproken persoon staat tussen komma’s.


20. Na de aanhef van een brief.


21. Als decimaalteken.

Wanneer beter een punt zetten?

Wanneer beter een punt zetten?

Een komma behoort in een zin rustpunten van ongeveer gelijke duur aan te duiden. Als een zin vele ongelijksoortige komma’s bevat, is het beter de komma’s die daarvoor in aanmerking komen, te vervangen door puntkomma’s of punten.

Onduidelijk: De lezing was te langdradig, de voorbeelden, en ook de toelichting, waren moeilijk te volgen zonder productkennis, het slot was wel interessant.
Helder: De lezing was te langdradig. De voorbeelden, en ook de toelichting, waren moeilijk te volgen zonder productkennis. Het slot was wel interessant.

Punt

Een punt wordt gebruikt als markering van een zinseinde, in afkortingen en in cijferreeksen (Schrijfwijzer).

Wanneer een punt?

1. Geen punt na een opschrift, titel, kop of adressering.
2. Geen punt na een afkortingspunt.
3. Geen punt na een afsluitend aanhalingsteken van een citaat.
4. Punt na afgekorte woorden.
5. Bij woordgroepen een punt per afgekort woord. Gebruik dus bv. als afkorting van bijvoorbeeld, want bijvoorbeeld is één woord.
6. In bedragen van vijf cijfers of meer om de duizendtallen aan te duiden.
7. In tijdsaanduidingen tussen de uren en de minuten. (De dubbele punt wordt gebruikt als scheiding tussen de minuten en seconden.)

Puntkomma

Puntkomma [ ; ]

Een punt geeft een grote scheiding aan, een komma een kleine scheiding, de puntkomma zit er iets tussenin (Schrijfwijzer). Met andere woorden: bij twijfel tussen punt of komma zet u ze allebei.

Wanneer een puntkomma?

1. Wanneer een komma een te kleine en een punt een te grote scheiding is.
2. In opsommingen waarin komma’s verwarring kunnen geven met andere komma’s.

Dubbele punt

Dubbele punt [ : ]

De dubbele punt wordt gebruikt om een opsomming te introduceren en voor de aankondiging van een toelichting, verklaring, conclusie of citaat (Schrijfwijzer).

Praktijktips

1. Gebruik niet tweemaal in dezelfde zin een dubbele punt.
2. Na een dubbele punt volgt alleen een hoofdletter bij een citaat of een opsomming in hele zinnen.
3. Na zinsinleiders als In het kort, Kortom, Samengevat, Met andere woorden, Dat wil zeggen, etc. komt een dubbele punt. In lopende tekst is een komma na deze inleiders ook goed te verantwoorden.

Aanhalingstekens

Aanhalingstekens [ ' ' ] [ " " ]

Enkele aanhalingstekens

Voor benadrukking, de zogenaamd-functie, het aanduiden van titels en termen en voor het weergeven van een citaat binnen een citaat (Schrijfwijzer).

Dubbele aanhalingstekens

Voor citaten (Schrijfwijzer).

Aanhalingstekens in combinatie met andere interpunctie

Het combineren van aanhalingstekens voor directe rede met andere interpunctie zoals komma’s en punten kent één basisregel: een complete zin in de directe rede bevat alle interpunctie die een ‘gewone’ zin ook zou bevatten (zinnen 1, 2 en 5). Komma’s die nodig zijn om de directe rede van de indirecte rede te scheiden en niet tot het citaat behoren, worden dus buiten de aanhalingstekens geplaatst (zinnen 3 en 4). De oude elda-regel (eerst leesteken, dan aanhalingsteken) gaat dus lang niet altijd op (Schrijfwijzer). Verder wordt de slotpunt alleen weggelaten als een complete zin in de directe rede wordt gevolgd door indirecte rede (zin 3).

Voorbeelden

1. “De hele samenleving kan straks profiteren van kennismanagement.”
2. Lotus-topman stelt onomwonden: “De hele samenleving kan straks profiteren van kennismanagement.”
3. “De hele samenleving kan straks profiteren van kennismanagement”, aldus de Lotus-topman.
4. “De hele samenleving”, vertelt de Lotus-topman, “kan straks profiteren van kennismanagement.”
5. “De hele samenleving, ook instellingen en particulieren,” laat de Lotus-topman weten, “kan straks profiteren van kennismanagement.”

Zogenaamd- of ‘als zodanig’-functie in woorddelen

Soms is het noodzakelijk om slechts een deel van een woord als zodanig weer te geven, zoals in het bovenstaande kopje. Verbind het woord of de uitdrukking tussen aanhalingstekens altijd met een koppelteken aan het tweede deel van de samenstelling. Dus niet: ‘als zodanig’functie.

Tot slot: gebruik geen aanhalingstekens in combinatie met zogenaamd. Aanhalingstekens drukken die ‘zogenaamdheid’ al uit. (Schrijf in de voorgaande zin dus niet die zogenaamde ‘zogenaamdheid’.)

Opsommingen

Opsommingen

Er zijn twee soorten opsommingen: de opsomming binnen een zin en de opsomming die bestaat uit zinnen. Beschouw in het eerste geval de delen van de opsomming als het vervolg van dezelfde zin. Dat betekent: beginnen met onderkast, laatste deel van de opsomming afsluiten met een punt. In het tweede geval is de aankondiging van de opsomming op te vatten als kopje en de delen van de opsomming als zelfstandige zinnen. Deze laatste dienen daarom stuk voor stuk te beginnen met een kapitaal en te worden afgesloten met een punt. Dus:

Opsomming:

- xxxx
- xxxx
- xxxx.

Opsomming

- Xxxx.
- Xxxx.
- Xxxx.

Terug

Help Mij Leeren

Home

Werkwoordspelling

Met al de regels inclusief verleden tijd en het kofschip

Bron: de digischool/Steven van der Steen


Inleiding

De regels van de werkwoordspelling worden vaak verkeerd toegepast. De regels op zich worden meestal wel begrepen, maar veel mensen weten niet wanneer nu welke regel moet worden toegepast. Hieronder wordt stap voor stap beschreven hoe de werkwoordspelling in z’n werk gaat.

Onze werkwoordspelling kent twee regels:

1) De regel stam + t

2) De regel ‘t exkofschip (of xtc-koffieshop)

 

Bij de werkwoordspelling hebben we met drie verschillende tijden te maken:

a) De tegenwoordige tijd (hier hebben we het over het ‘nu’; er staatminimaal één werkwoord in de zin)

“Peter loopt op straat.”

b) De verleden tijd (hier hebben we het over dat wat geweest is; er staatminimaal één werkwoord in de zin)

“Mijn zus antwoordde nogal chagrijnig.”

c) De voltooide tijd (er staan minimaal twee werkwoorden in de zin, waarvan één een voltooid deelwoord is)

“Peter heeft op straat gelopen.”

“Mijn zus heeft nogal chagrijnig geantwoord.”

Welke regel hoort bij welke tijd?

In de tegenwoordige tijd gebruik je de regel stam + t

In de verleden tijd gebruik je de regel ‘t exkofschip

In de voltooide tijd gebruik je soms beide regels. In deze tijd heb je namelijk te maken met minimaal twee werkwoorden. Daarom pas je dus (waar mogelijk!) op het ene werkwoord (de persoonsvorm of hulpwerkwoord) de regel stam + t toe en op het andere werkwoord (het voltooid deelwoord) de regel ‘t exkofschip.

Voordat je aan de gang gaat met t’tjes en d’tjes, is het dus van essentieel belang dat je kunt zien of een zin uit één of twee werkwoorden bestaat, want dat heeft direct te maken met de keuze van de juiste regel die je moet toepassen.

Hoe werken deze twee regels?

1) De regel stam + t werkt als volgt: als je problemen ondervindt met de spelling van een bepaald werkwoord in de tegenwoordige tijd, pas je deze regel toe. Je begint dan met het vinden van de stam van het betreffende werkwoord. Die vind je door -en van het hele werkwoord af te halen:

Vinden – vind

Gebeuren – gebeur

Vertellen – vertel

Antwoorden – antwoord

De stam heb je nu gevonden en hier kun je nu een ‘t’ achter plakken. Je mag er niet altijd een ‘t’ achter plakken, maar alleen als je te maken hebt met één van de volgende persoonlijke voornaamwoorden:

je, jij

hij, zij

u, het

Dit gaan we toepassen op de bovenstaande voorbeelden:

Goed: “Je&nbnbsp;vindt die jongen volgens mij erg aardig.”

Goed: “Het gebeurt wel vaker.”

Goed: “Hij vertelt altijd zo graag over zijn avonturen.”

Goed: “U antwoordt zo snel mogelijk.”

Fout: “Ik vindt je nogal opvliegend vandaag.”

Fout: “Vindt je me nog wel aardig?”

Let op: deze zinnen staan allemaal in de tegenwoordige tijd en bevatten allen maar één werkwoord!

In de laatste zin schrijf je geen ‘t’ achter ‘Vind’, omdat het woordje ‘je’ erachter staat i.p.v. ervoor. Als je dit lastig vindt, vergelijk dan de onderstaande zinnetjes eens:

Goed: “Loop je haar nu nóg achterna?” (‘Loop’ krijgt hier geen ‘t’; dat is alleen aan de klank van ‘Loop’ al vrij eenvoudig te horen.)

Goed: “Maak je nog wat huiswerk vanavond?” (Je zegt niet: “Maakt je nog wat huiswerk vanavond?”)

Dus ook goed: “Vind je me nog wel aardig?’

Dus ook goed: “Beantwoord je die brief vandaag nog?”

 

In de bovenstaande vier zinnetjes staat het woordje ‘je’ achter het werkwoord. In deze zinnen is ‘je’ een persoonlijk voornaamwoord, omdat je met ‘je’ personen bedoelt.

Er is ook een ander soort ‘je’ dat achter het werkwoord kan staan. Dit heet een bezittelijk voornaamwoord, omdat je er een bezit mee bedoelt. Kijk maar eens naar het verschil in zinnetjes met een persoonlijkvoornaamwoord en zinnen met een bezittelijk voornaamwoord:

“Komt je vader vanavond nog?” (‘je’ = bezittelijk voornaamwoord, je schrijft hier wél een ‘t’!)

“Kom je naar huis?” (‘je’ = persoonlijk voornaamwoord, je laat de ‘t’ hier weg.

“Krimpt m’n wollen trui als ik hem was?” (m’n = bezittellijk voornaamwoord, je hoort en schrijft een ‘t’!)

“Krimp je als je zelf in de wasmachine gaat zitten?” (‘je’ = persoonlijk voornaamwoord, je hoort géén ‘t’, dus schrijf je hem ook niet!)

2) De regel ‘t exkofschip

Deze regel gebruik je zowel in de verleden tijd als in de voltooide tijd. In deverleden tijd gebruik je deze regel om erachter te komen of een werkwoord met -de-den-te, of -ten wordt geschreven. In de voltooide tijd gebruik je de regel ‘t exkofschip om erachter te komen of hetvoltooid deelwoord eindigt op een -d of een -t.

Hieronder zal ik eerst laten zien hoe je dit aanpakt in de verleden tijd en daarna laat ik zien hoe het werkt in de voltooide tijd.

De verleden tijd

De regel ‘t exkofschip gebruik je in de verleden tijd alleen bij zwakke werkwoorden. Dat zijn werkwoorden die bij verandering van tijd niet van klank veranderen. Werkwoorden als ‘vinden’, ‘zwemmen’, ‘zijn’, ‘worden’, ‘blijven’ zijn dus voor ons op dit moment niet interessant, want dat zijnsterke werkwoorden die van klank veranderen als je de tijd verandert. Kijk maar: vind/vond – zwem/zwom – zijn/was – word/werd – blijf/bleef.

We richten ons dus alleen op de zwakke werkwoorden bij het gebruik van de regel ‘t exkofschip:

mix/mixte – verf/verfde – verhuis/verhuisde – antwoord/antwoordde – verwacht/verwachtte – passen/paste

De grote vraag is dan altijd of het nu ‘mixte’ of ‘mixde’ is. Is het nu ‘verfde’ of ‘verfte’, ‘verhuisde’ of ‘verhuiste’, ‘antwoorde’ of ‘antwoordde’,  ‘verwachte’ of ‘verwachtte’ en ‘pastte’ of ‘paste’.

Daar kun je op de volgende manier achter komen:

Je neemt de stam van het betreffende zwakke werkwoord door -en van het hele werkwoord af te halen. Gebruik nooit de ik-vorm, want dan kom je in de problemen bij werkwoorden als ‘verven’ en ‘verhuizen’, waar de ‘v’ dan een ‘f’ wordt en de ‘z’ een ‘s’.

mixen – mix

verven – verv

verhuizen – verhuiz

antwoorden – antwoord

verachten – verwacht

passen – pa(bij twee dezelfde medeklinkers heb je er maar eentje nodig voor de juiste klank)

Je let hierbij op de laatste letter van de stam, want die letter bepaalt of in de verleden tijd -de-den-te, of -ten wordt geschreven. Komt de laatste letter van de stam voor in het woord ‘t exkofschip (hierbij tellen alleen de medeklinkers t, x, k, f, s, c, h, p), dan schrijf je het werkwoord met -te, of-ten. Komt de laatste letter van de stam niet voor in ‘t exkofschip, schrijf je het werkwoord met -de, of -den.

De vervoegingen -te en -de gebruik je als je te maken hebt met enkelvoudige personen als ik, je, jij, hij, ze, zij, het, u. De vervoegingen -ten en  -den gebruik je als je te maken hebt met meervoudige personen als we, wij, jullie, ze (meervoud), zij (meervoud).

Als voorbeeld zetten we de bovenstaande werkwoorden in de juiste verleden tijd:

mixen – mix: de ‘x’ komt wel voor in ‘t exkofschip, dus schrijf je ‘mixte’, of ‘mixten’ (bij meervoud)

verven – verv: de ‘v’komt niet voor in ‘t exkofschip, dus schrijf je ‘verfde’ of ‘verfden’ (bij meervoud)

verhuizen – verhuiz: de ‘z’ komt niet voor in ‘t exkofschip, dus schrijf je ‘verhuisde’ of ‘verhuisden’ (bij meervoud)

antwoorden – antwoord: de ‘d’ komt niet voor in ‘t exkofschip, dus schrijf je ‘antwoordde’ of ‘antwoordden’ (bij meervoud)

verachten – verwacht: de ‘t’ komt wel voor in ‘t exkofschip, dus schrijf je ‘verwachtte’ of ‘verwachtten’ (bij meervoud)

Dus:

Goed: “Ik verwachtte je nog niet zo vroeg.”

Fout: “Ik verwachte je nog niet zo vroeg.”

Goed: “Dat jullie verhuisden wist ik niet.”

Fout: “Dat jullie verhuisde wist ik niet.”

Fout: “Dat jullie verhuisten wist ik niet.”

Dit was de uitleg die hoorde bij de verleden tijd. Dan volgt nu de uitleg voor het gebruik van de regel ‘t exkofschip in de voltooide tijd:

De voltooide tijd

Heb je in een zin te maken met twee bij elkaar passende werkwoorden, dan is er sprake van een voltooide tijd: één werkwoord staat dan in de tegenwoordige of verleden tijd, het andere werkwoord staat in de voltooide tijd (het voltooid deelwoord).

Op het ene werkwoord pas je dus de regel stam + t toe (bij tegenwoordige tijd) of ‘t exkofschip (bij verleden tijd). Dit laatste geldt alleen voor zwakke werkwoorden, want je gebruikt de ‘t exkofschipregelalleen bij zwakke werkwoorden. Meer over het verschil tussen sterke en zwakke werkwoorden…

Op het andere werkwoord (het voltooid deelwoord) pas je de regel ‘t exkofschip toe om er achter te komen of die op een -t of een -d eindigt.

“Je wordt daar om acht uur verwacht.” (wordt = sterk (stam + t), verwacht = voltooid deelwoord (‘t exkofschip)

Zijn jullie al verhuisd?” (zijn = sterk (geen regel), verhuisd = voltooid deelwoord (‘t exkofschip)

Heb je dat gezien?” (heb = sterk (geen regel), gezien = voltooid deelwoord (‘t exkofschip)

“Peter heeft zijn fiets gerepareerd.” (heeft = sterk (geen regel), gerepareerd = voltooid deelwoord (‘t exkofschip)

“Wat is daar gebeurd?” (is = sterk (geen regel), gebeurd = voltooid deelwoord (‘t exkofschip)

Let wel op dat je je richt op de twee werkwoorden die ook bij dezelfde zin horen. Het kan namelijk ook zijn dat een zin uit twee zinnetjes bestaat. De werkwoorden van deze twee kleine zinnetjes kunnen afzonderlijk van elkaar in een andere tijd staan. Kijk maar:

“Ik heb je zo vroeg nog niet verwacht, maar dat maakt niet uit voor deze keer.” (de zin voor de komma staat in voltooide tijd, want die bevat twee werkwoorden; de zin na de komma staat in tegenwoordige tijd en heeft maar één werkwoord)

Klopt het dat jullie al zijn verhuisd?” (de zin voor ‘dat’ staat in de tegenwoordige tijd en heeft maar één werkwoord, de zin na ‘dat’ staat in de voltooide tijd, want die bevat twee werkwoorden)

Heb je dat gezien, of moet ik het nog eens voordoen?” (de zin voor ‘of’ staat in de voltooide tijd, want die bevat twee werkwoorden; de zin na ‘of’ staat ook in de voltooide tijd, want die bevat ook twee werkwoorden)

“Peter heeft zijn fiets zelf gerepareerd, omdat zijn vader dat weigerde.” (de zin voor ‘omdat’ staat in de voltooide tijd, want die bevat twee werkwoorden; de zin na ‘omdat’ staat in de verleden tijd en die bevat maar één werkwoord).

“Mijn vriendin vertrekt voorgoed naar Zuid-Afrika en ik vind dat niet leuk.”(de zin voor ‘en’ staat in de tegenwoordige tijd en die bevat één werkwoord; de zin na ‘en’ staat ook in de tegewoordige tijd en die bevat ook maar één werkwoord). Zeg bij deze zin dus niet: ‘Deze zin bevat twee bij elkaar passende werkwoorden, dus staat hij in de voltooide tijd. Dat klopt dus niet, omdat het hier gaat om twee afzonderlijke zinnetjes met elk hun eigen tijd.

Let dus op met hoeveel kleinere zinnetjes je te maken hebt!

De grote vraag bij de juiste spelling van het voltooid deelwoord is: eindigt het op een -t of op een -d?

Daar kun je op de volgende manier achter komen:

Je neemt de stam van het betreffende voltooid deelwoord door -en van het hele werkwoord af te halen. Gebruik nooit de ik-vorm, want dan kom je net als bij de verleden tijd in de problemen bij werkwoorden als ‘verven’ en ‘verhuizen’, waar de ‘v’ dan een ‘f’ wordt en de ‘z’ een ‘s’.

mixen – gemix

verven – geverv –

verhuizen – verhuiz

antwoorden – geantwoord

verwachten – verwacht

passen – pa(bij twee dezelfde medeklinkers heb je er maar eentje nodig voor de juiste klank)

gebeuren – gebeur

Je let hierbij op de laatste letter van de stam, want die letter bepaalt of in de voltooide tijd -d of -t wordt geschreven. Komt de laatste letter van de stam voor in het woord ‘t exkofschip (hierbij tellen alleen de medeklinkers t, x, k, f, s, c, h, p), dan schrijf je het werkwoord met -te, of -ten. Komt de laatste letter van de stam niet voor in ‘t exkofschip, schrijf je het werkwoord met -de, of -den.

We nemen de bovenstaande woorden weer even als voorbeeld:

Goed: “De ingrediënten heb ik goed door elkaar gemixt.” (‘gemixt’ is hier het voltooid deelwoord, de ‘x’zit wel in ‘t exkofschip, dus schrijf je een ‘t’)

Goed: “Wat heb je die muur mooi geverfd!” (‘geverfd’ is hier het voltooid deelwoord, de ‘v’ zit niet in ‘t exkofschip, dus schrijf je een ‘d’)

Goed: “Mijn oma is naar een verzorgingstehuis verhuisd.” (‘verhuisd’ is hier het voltooid deelwoord, de ‘z’ zit niet in ‘t exkofschip, dus schrijf je een ‘d’)

Goed: “Heb je al geantwoord op dat e-mailtje?” (‘geantwoord’ is hier het voltooid deelwoord, de ‘d’ zit niet in ‘t exkofschip, dus schrijf je een ‘d’)

Goed: “Ik had iets heel anders van dat feest verwacht.” (‘verwacht’ is hier het voltooid deelwoord, de ‘t’ zit wel in ‘t exkofschip, dus schrijf je een ‘t’)

Goed: “Heb je die leuke broek al gepast?” (‘gepast’ is hier het voltooid deelwoord, de ‘s’ zit wel in ‘t exkofschip, dus schrijf je een ‘t’)

Goed: “Op de snelweg is een ernstig ongeluk gebeurd.” (‘gebeurd’ is hier het voltooid deelwoord, de ‘r’ zit niet in ‘t exkofschip, dus schrijf je een ‘d’)

Een korte samenvatting van het geheel:

Tegenwoordige tijd – stam + t

Verleden tijd – ‘t exkofschip (-te, -ten, -de, -den, alleen bij zwakke werkwoorden)

Voltooide tijd – stam + t en ‘t exkofschip (voor -t of -d)

Help mij leren!

Los of aan elkaar?

Een korte :)

Bron: Digischool

In het Nederlands wordt bijna alles aan elkaar geschreven:

stageverslag, basisschool, vrijdagmiddag, rekenles, studiefinancieringsregeling, representativiteitsverklaring.

Het koppelteken (liggend streepje) gebruiken we alleen om een leesfout te voorkomen:

mediaadvertentie, wordt media-advertentie

politieinlichtingen, wordt politie-inlichtingen

psvverdediger, wordt psv-verdediger

Driedelige samenstellingen (woorden die uit drie kleinere woorden bestaan) worden vaak aan elkaar geschreven:

langetermijnplanning, onroerendgoedmarkt

Het streepje wordt ook gebruikt om woorden met eenzelfde uitgang of met eenzelfde voorzetsel te koppelen. Het streepje vervangt dan als het ware het woord dat wordt weggelaten:

kijk- en luisterdienst, voor- en achterdeur

Terug

Help Mij Leeren

Home

Me, m’n of mijn?

Een veelgemaakte fout die we hier nog even uitlegen

Bron: Digischool

Eén van de meest voorkomende taalfouten is het foutief gebruik van ‘me’. Voorbeelden hiervan zijn “Me moeder”, “Me vriend”, “Me oma” en ga zo maar door. Het mag duidelijk zijn dat bij dit probleem de ‘persoon’ en het ‘bezit’ door elkaar wordt gehaald.

Wanneer gebruik je me?

Het woordje ‘me’ gebruik je als dat verwijst naar jezelf. Het gaat hierbijniet om bezit!

Goed: “Ik was me elke dag.” (me = persoon/jezelf)

Goed: “Wil je me de telefoon even aangeven?” (me = persoon/jezelf)

Fout: “Ik was me oma elke dag.” (me = bezit, het is jouw oma | Juist is: “m’n/mijn oma”)

Fout: “Waar is me telefoon gebleven?” (me = bezit, het is jouw telefoon | Juist is: “m’n/mijn telefoon”)

Wanneer gebruik je m’n en mijn?

Deze twee woordjes betekenen precies hetzelfde. Over het algemeen kun je zeggen dat mijn beter past bij zakelijke taal en m’n wat losser overkomt tijdens de communicatie.

Als je een bezit wilt aanduiden gebruik je m’n en mijn:

Goed: “M’n moeder heeft het al weken over vroeger.”

Goed: “Mijn coach vindt dat ik een natuurtalent ben.”

Fout: “Ik schaam m’n diep.” (een verleidelijke vraag is dan: “Je wat?” | Juiste is: ” me/mij diep.”)

Fout: “Een uur geleden is me fiets gestolen.” (het gaat hier om bezit, dusmijn of m’n | Juiste is: “m’n/mijn fiets” )

Terug

Help Mij Leeren

Home

De tussenletter -n

Moet er in samenstellingen (woorden die uit minimaal twee kleinere woorden bestaan) en -n geschreven worden of niet?

Bron: Digischool

Wanneer schrijf je wel een -n?

Als het meervoud van het eerste deel van de samenstelling alleen een meervoud op -en heeft. Dus woorden als ‘paarden’ en ‘pannen’. Dus niet woorden als ‘directeur’ en ‘aardappel’, want deze woorden hebben niet alleen een meervoud op -en, maar ook op -s. Kijk maar: ‘directeurs’ / ‘directeuren’ en ‘aardappels’ / ‘aardappelen’.

Wanneer schrijf je geen -n?

1) Als het eerste deel van de samenstelling een woord is waar wij er maar eentje van hebben. Denk aan woorden als ‘zon’, ‘maan’, ‘koningin’.

2) Als het in de samenstelling gaat om een versterkende of verzwakkende uitdrukking: ‘reuzeleuk’, ‘apetrots’, ‘retegoed’, ‘brekebeen’.

Bij ‘pannenkoek’ schrijf je dus een -n, omdat er sprake is van maar één meervoudsvorm

Bij ‘groentesoep’ schrijf je geen -n, omdat er sprake is van twee meervoudsvormen: ‘groentes’ / ‘groenten’


Terug

Help Mij Leeren

Home

Hoofdlettergebruik

Bron: Digischool

Hoofdletters gebruik je bij:

1. eerste gehele woord van de zin


2. persoonsnamen: Klaas, Hans Janssen. Bij persoonsnamen krijgt het tussenvoegsel (van, van der, in ‘t) een hoofdletter als er geen naam of voorletter aan voorafgaat. Dus: Jan, Sint-Maarten, Jan de Vries, de heer De Vries, de heer en mevrouw Jansen-Van Dijk. In Vlaanderen behouden tussenvoegsels van persoonsnamen altijd hun originele schrijfwijze: mevrouw van der Velde, mevrouw J. van der Velde, Jan Vanden Broucke


3. eigennamen van onder meer (unieke) gebouwen, vervoermiddelen, organen, instellingen, verenigingen, producten, diensten en bedrijven, ook in samenstellingen en afleidingen: Westertoren, Statendam, Europese Unie, Hoge Raad, het Rijk, Nederlandse Taalunie, Comité Oranjefeesten, Essotankstation


4. aardrijkskundige namen (van plaatsen, streken, landen, bergen, rivieren, woestijnen, hemellichamen) en hun samenstellingen en afleidingen: Brussel, Leidseplein, Zuid-Afrika, de Poolster, Gentenaar, New Yorker, Noordpoolexpeditie, Randstedelijk


5. namen van talen en dialecten, ook in samenstellingen en afleidingen:Nederlands, de Nederlandse taal, Nederlandkunde, Franstalig, Zuid-Afrikaans, Brabants, Indo-Germaans, Swahili


6. namen van specifieke bevolkingsgroepen en hun samenstellingen en afleidingen: Noor, Amerikaan, Palestijn, Jood, Inca, Azteek, Eskimo, Belgenmop, anti-Joods, Mayacultuur, Vikingschip


7. namen van officiële feestdagen en historische gebeurtenissen, tenzij de naam onderdeel uitmaakt van een samenstelling of afleiding: Pasen (maar: paasnacht, paasmaandag), Hemelvaart (maar: hemelvaartsdag) de Tweede Wereldoorlog, oudejaarsavond


8. onderscheidingen, evenementen, boektitels en heilige boeken, ook in samenstellingen en afleidingen: de Nobelprijs, de Ilias, Daviscupfinale, Bijbellezing, Koranvertaling. Namen van krant, tijdschriften, handelszaken en organisaties schrijven we op de manier die de auteur of oprichter zelf heeft gekozen: De Standaard, de Volkskrant, dEUS.


9. personen en zaken die als heilig worden beschouwd, ook in samenstellingen: het Opperwezen, Allah, het Koninkrijk Gods, H. Antonius, Mariabeeld


10. bij een aanspreking met bijzonder respect: Majesteit, Heilige Vader

 

Een kleine letter gebruik je bij:

1. afleidingen van persoonsnamen: apollinisch, orwelliaans, rembrandtesk


2. functienamen die als aanspreektitel worden gebruikt: president Bush, burgemeester Cohen, landdrost Lammers, stadhouder Willem III, bondskanselier Schröder, minister Zalm


3. soortnamen van instituten of bedrijfsonderdelen: ministerie van Economische Zaken, afdeling Financiën, arbodienst, het gerechtshof in Den Haag 4. namen van windstreken: het westen (maar: het Wilde Westen, het Verre Oosten)


5. als een eigennaam een soortnaam is geworden: cognac, moezelwijn, neerlandistiek, balkaniseren, neanderthaler, mekka, hodgkin, colbert, brailleschrift, freudiaans, marxist, sint-bernardshond


6. bepaalde (werkwoords)afleidingen van talen: vernederlandsen, verfransing, antiamerikanisme, panslavisme


7. overkoepelende termen voor etnische groepen en hun samenstellingen en afleidingen: indo, latino, indiaans, zigeunermuziek


8. spotnamen van bevolkingsgroepen: kaaskop, spaghettivreter, mof


9. namen van historische perioden en tijdsindelingen: cambrium, middeleeuwen, renaissance, jugendstil, lente, ramadan, maandag


10. namen van stromingen en overtuigingen: beatgeneratie, liberalisme, christendom


11. namen van beoefenaren van godsdiensten of andere overtuigingen, ook in samenstellingen en afleidingen: joden, protestanten, farizeeën, islamitisch, katholiekentaal


12. afleidingen van personen en zaken die als heilig worden beschouwd:goddelijk, messiaans, christendoorn


13. titulatuur: drs., mr., prof

Concrete kwesties

1. Internet of internet: geen hoofdletter. Internet is een medium (vergelijk radio/tv), dus daarom behandelen als een ingeburgerd woord. In samenstellingen dus geen koppelteken gebruiken (internetpagina).
2. Bijbel of bijbel: hangt van de situatie af. Met hoofdletter als wordt verwezen naar de Heilige Schrift. Met kleine letter als het gaat over een bijbel als gebruiksvoorwerp (bijbeltje), in samenstellingen en afleidingen (bijbelonderwijs), of als het woord overdrachtelijk wordt gebruikt om een gezaghebbend geschrift te omschrijven (taalbijbel).

Afkortingen

In tegenstelling tot de Leidraad van 1995 bevat de nieuwe Leidraad uitgebreide regelgeving ten aanzien van afkortingen.

Gebruik kleine letters voor afkortingen van staande uitdrukkingen en plaats punten op de plaatsen waar woorden zijn afgekort: t.z.t., t.b.v., i.p.v., o.l.v., m.b.t., enz.,. Vermijd in lopende tekst overigens het gebruik van afkortingen. Afkortingen van begrippen met hoofdletters (zoals koninklijke titels) worden met een hoofdletter geschreven: H.K.H., Z.K.H., H.M.

Gebruik geen punten in initiaalwoorden. Dat zijn afkortingen die zich gedragen als woorden. De hoofdletters worden wel overgenomen uit de afgekorte woorden: btw, wc, tv, bh, ivf, ov, cao, NS, ANWB, EU. Een aparte categorie van initiaalwoorden zijn letterwoorden. Dat zijn afkortingen die als woord worden uitgesproken: mavo, havo, arbo, sofi. Letterwoorden gedragen zich in samenstellingen en afleidingen als gewone woorden:mavoleerling, havoër, arbodienst, sofinummer, hateenheid, bommoeder. Voor verkortingen als info, airco en hifi geldt hetzelfde: infobalie, aircofilter, hifitoren.

Aan andere talen ontleende afkortingen behouden hun originele buitenlandse schrijfwijze zolang ze nog niet zijn ingeburgerd: RAM, ADSL, GmbH. Als ze voldoende zijn ingeburgerd, nemen ze het karakter van Nederlandse initiaalwoorden of letterwoorden over, ook in samenstellingen en afleidingen: pc, cd-rom, vip, ufo, aidsvaccin, pincode, latrelatie.

Afkortingen van wetten, besluiten en overheidsplannen schrijven we met een hoofdletter: AOW, KB, VUT, behalve als een andere schrijfwijze onder ambtenaren gebruikelijk is: AMvB, Wajong.

Bij afkortingen van eigennamen geldt de schrijfwijze die de organisatie zelf hanteert: PvdA, BuZa. Als dit principe niet geldt, hangt de schrijfwijze af van de lengte van de afkorting. Een vuistregel is dat letterwoorden die maximaal uit vijf letters bestaan, in hoofdletters worden geschreven: NAVO, OESO, ASEAN, UNHCR, Euratom, Benelux, Unctad, Comecon, Unesco.

Concrete kwesties

Besloten vennootschap: volgens de nieuwe Leidraad is bv juist als het gaat om een besloten vennootschap als soortnaam. Als onderdeel van een bedrijfsnaam is BV correct. In het Burgerlijk Wetboek staat overigens dat besloten vennootschap wordt afgekort als B.V.

Titulatuur en eenheden

Volgens de Leidraad worden afkortingen van titels met onderkast en een punt geschreven, óók als de laatste letter van de afkorting de laatste letter van het afgekorte woord is. Bij twee of meer opeenvolgende titels kiezen we ervoor om geen spaties te laten tussen de afkortingen.

Voorbeelden

Meester wordt mr. 
Doctorandus wordt drs. 
Meester-doctorandus wordt mr.drs. 
Professor-doctor wordt prof.dr.

Ter verduidelijking: een prof zonder punt is een professional (Schrijfwijzer).

Afkortingen van maten, gewichten, elementen en andere eenheden krijgen geen punt: km, cm, kV (kilovolt), kb (kilobit), Pb (lood), sin (sinus), kWh(kilowattuur), dB (decibel).

Scheikundige elementen, bepaalde natuurkundige eenheden en de voorvoegsels mega-, giga- en tera- worden met hoofdletter of beginkapitaal geschreven: Pb (lood), V (volt), A (Ampère), W (Watt), MW (megawatt), GB(gigabyte), TN (teranewton).

 

Ter onderscheiding van een bit (kleinste afzonderlijke rekeneenheid in een computer: een 0 of een 1) en een byte (8 bits) wordt bit tegenwoordig afgekort met een kleine letter b en byte met een kapitaal B.